Opiniestuk: De held heet zelden Achmed

Door Bas Maliepaard

Trouw Letter & Geest, 6 oktober 2012

Vorige
 

Jaarlijks leidt de Kinderboekenweek tot een golf boeken die speciaal rond het thema zijn geschreven en heruitgaven van toepasselijke klassiekers. Ook nu hebben schrijvers en uitgevers zich over het thema ‘Hallo wereld’ gebogen. Een willekeurige greep uit het aanbod: Hans Hagen neemt ons in ‘Het hanengevecht’ mee naar de Fillippijnen, Sanne de Bakker stuurt haar hoofdpersoon naar Suriname in ‘Suriname, here we come’, Lotte Stegeman portretteert in ‘Heimwee naar hagelslag’ Nederlandse kinderen in het buitenland en de klassieker 'Gideons reizen' van An Rutgers van der Loeff is opnieuw uitgebracht.

Opvallend genoeg zoekt geen schrijver het dichterbij huis: de ‘wereldkinderen’ uit ons eigen land krijgen nauwelijks een stem. Waar zijn de Surinaamse, Antilliaanse, Chinese, Marokkaanse of Turkse hoofdpersonages? De Nederlandse kinderliteratuur blijft melkwit, terwijl de gemiddelde schoolklas dat toch allang niet meer is. Alleen al om die reden valt het gebrek aan allochtone personages al jaren op, maar nu het Kinderboekenweekthema nota bene gáát over de ontmoeting tussen culturen begint het gênant te worden.

Waarom er zo weinig jeugdauteurs zijn die van binnenuit over een allochtoon personage schrijven, vroeg collega Iris Pronk zich zes jaar geleden al af in deze krant (en ook zij was niet de eerste). In haar artikel ‘Waar blijft de Turkse Carry Slee?’ bevraagt ze verschillende schrijvers. Eén van de antwoorden is: auteurs schrijven nu eenmaal vanuit hun eigen referentiekader. En omdat er bar weinig allochtone kinderboekenschrijvers zijn, gaan de boeken eerder over Daan dan over Achmed.

Klinkt plausibel, maar tegelijkertijd is het vreemd dat schrijvers geen problemen hebben zich in te leven in kinderen die in het buitenland wonen. Er zijn boeken over Colombiaanse kindsoldaten, Pakistaanse kamelenjockey’s, Griekse ezeljongens, Afrikaanse voetballertjes, Filippijnse straatkinderen, inuït in Groenland… Wat is er dan zo moeilijk aan het schrijven van een verhaal over een kind in Nederland met een andere culturele achtergrond? Je hoeft niet eens op reis voor de research; gluren bij de buren is genoeg.

Een boekhandelaar hielp mij, enigszins beschroomd, aan een andere verklaring: boeken met een allochtoon hoofdpersonage zouden niet zo goed verkopen. In veel allochtone gezinnen in Nederland is geen sprake van een leescultuur en autochtone ouders kopen nu eenmaal sneller een boek over Daan dan over Achmed.

Hoe het ook zij: voor al die allochtone kinderen zou het toch prettig zijn als ze wat meer herkenbare kinderboeken zouden kunnen lezen. Want de mogelijkheid tot identificatie met de hoofdpersoon - wordt algemeen aangenomen - bevordert het leesplezier. Bovendien kan een boek het zelfbeeld van allochtone kinderen op een positieve manier versterken en het wereldbeeld van autochtone lezers verbreden.

,,Mijn dochter heeft heel lang gedacht dat alleen blonde meisjes prinsesjes konden zijn”, vertelde een Surinaamse moeder uit Amsterdam me eind vorig jaar. ,,Ze wilde ook graag glad haar hebben, zoals haar klasgenootjes.” Na het lezen van de prentenboeken over het zwarte prinsesje Arabella van Mylo Freeman was ze daar van af.

Zo werkt het ook voor oudere kinderen, lijkt me: het is fijn om te lezen over kinderen zoals jij. Degelijk onderzoek is er recent niet naar gedaan, maar Stichting Lezen heeft voor intern gebruik wel eens aan mediathecarissen op middelbare scholen gevraagd wat allochtone leerlingen vooral graag lezen. Het is geen verrassing: boeken met een allochtone hoofdpersoon.

Sinds het artikel van Pronk is er wel iets veranderd, maar de beweging is minimaal. Khalid Boudou publiceerde de jeugdroman ‘Pizzamaffia’, over een Marokkaanse tiener, Edward van de Vendel verhaalt in ‘De gelukvinder’ over een Afghaanse asielzoeker, Najiba Abdellaoui schreef met Pieter Feller ‘Nasim en Natalie’, een voorleesboek voor groep 4, voor peuters is er ‘De snoepjes van Aischa’ van Elly van der Linden, over het Suikerfeest, en Mylo Freeman bouwt dus aan een succesvolle prentenboekenreeks over prinses Arabella, haar Chinese vriendin Ling en Marokkaanse vriendje Mimoen.

Ook de donkere hoofdpersonen uit ‘Vuurwerk in mijn hoofd’ van Roland Colastica en ‘Slagveld’ van rapper 50 Cent zijn aanwinsten op het Nederlandse schap, ook al spelen de verhalen respectievelijk op Curaçao en in de VS.

Toch is dit een zeer bescheiden opbrengst als je weet hoeveel kinderboeken er jaarlijks verschijnen. Bovendien lijden boeken over allochtonen vaak aan dezelfde gebreken. Ze zijn meestal niet al te vrolijk: uiterlijke, culturele of religieuze verschillen zijn de oorzaak van geworstel met de identiteit of problemen in vriendschap en liefde. Zo is Ali (12) uit het provocerende ‘Blijf van me af!’ van Mohamed Sahli homo en dat valt niet goed bij zijn Marokkaanse vrienden. Amadu krijgt in ‘Dug-out’ van Hans Vanacker te maken met discriminatie en Adan en Eva uit het gelijknamige werkje van Ayaan Hirsi Ali mogen geen vrienden zijn.

Als de allochtone hoofdpersonages het niet moeilijk hebben, ligt de educatieve, politiek correcte boodschap er meestal dik bovenop, zoals in ‘Nasim en Natalie’, waarin de Marokkaanse Nasim en zijn nieuwe Nederlandse buurmeisje kennismaken met elkaars cultuur. ,,‘Wat is dat… rammeldan?’ vraagt Natalie. ‘Ra-ma-dan heet het. Dan mogen moslims tussen zonsopgang en zonsondergang niet eten of drinken’.”

Vaker nog krijgen allochtonen slechts een bijrol toebedeeld, als vriendje, klasgenoot of buurkind van de oer-Hollandse (of Vlaamse) hoofdpersoon, zoals in het vriendelijke ‘Rosie en Moussa’ van Michael De Cock of ‘De flat van Fatima’ van Janneke Schotveld, een wel erg positief multicultisprookje over een Hollands meisje dat in een flat vol allochtonen komt te wonen.

Soms zijn de bijpersonages stereotypes (het criminele vriendje, het in haar vrijheid beperkte meisje met hoofddoek), soms zijn ze juist dermate vernederlandst dat buiten hun naam niets aan hun afkomst refereert, zoals Hasna of Karim in de klas van Mees Kees, uit de reeks van Mirjam Oldenhave. Beter dan niets, maar wel veilig en vlak. En ook de bijpersonages botsen geregeld met de Hollandse hoofdpersonen.

Mimoen, bijvoorbeeld, de Marokkaanse jongen op wie Guus Kuijers Polleke verliefd is. Ze is woest als hij hun verkering uitmaakt en schrijft hem: ,,Rot jij maar op met je pokkecultuur! Ga maar met zo’n meisje dat alvast een stofdoek op haar kop heeft. Lekker handig!’ Het levert Polleke een verplichte deelname aan een antiracismeproject op. Kuijer brengt het luchtig en vol humor, maar wel vanuit het perspectief van een Nederlands meisje. Mimoen blijft ‘het vriendje van’.

Het zou goed zijn als er meer gelaagde boeken verschijnen die vanuit de kracht van een allochtoon kind zijn geschreven, met een positieve insteek, maar zonder politiek correct moralisme. Geen boeken waarin de wereldkinderen als exotische bijzonderheden of clichés uit de multiculturele samenleving worden neergezet. Schrijvers, ga er maar aan staan. Want of ze nou Jasmijn of Yasmin heten, Bram of Brahim, elk kind verdient een prinses Arabella.

 

© Bas Maliepaard 2014 | Disclaimer | Ontwerp - pmsmt