Achtergrondartikel: Meesters en juffen ken uw klassiekers

'Te weinig aandacht voor jeugdliteratuur op de pabo'
Door Bas Maliepaard

Trouw De Verdieping, 11 oktober 2013

Vorige

Toekomstige basisschoolleraren krijgen tijdens hun opleiding op de pabo te weinig over jeugdliteratuur te horen. Daarom lanceert Stichting Lezen deze Kinderboekenweek een speciaal lespakket voor hen. Maar veel animo is er nog niet.

Jeugdliteratuur is een ondergeschoven kindje op de Nederlandse pabo's zegt kinderboekenschrijver en oud-schooldirecteur Jacques Vriens. Zijn klachten: studenten zijn, eenmaal afgestudeerd, nauwelijks op de hoogte van de diversiteit van het kinderboekenaanbod, laat staan van de jeugdliteraire canon. Ze zijn zich bovendien te weinig bewust van hun rol als leesbevorderaar.

En dat is ernstig omdat het leesplezier onder basisscholieren achteruit lijkt te gaan. De Onderwijsinspectie schrijft dat in internationaal onderzoek opvalt 'dat Nederlandse leerlingen relatief weinig plezier beleven aan lezen'. Dat constateerde Cito in 2007 ook al: het enthousiasme voor lezen is achteruit gegaan in vergelijking met ruim tien jaar eerder.

Recent onderzoek van advies- en onderzoeksbureau Sardes laat bovendien zien dat de leesfrequentie en het leesplezier binnen de basisscholen vooral afneemt in de bovenbouw. Als mogelijke verklaring wordt onder meer genoemd dat leerkrachten in de hogere groepen minder voorlezen, minder boeken introduceren en minder boeken gebruiken bij de zaakvakken als aardrijkskunde en geschiedenis dan in de onderbouw.

Als kinderen niet graag lezen, zegt Vriens, doen ze onvoldoende leeservaring op. "En die heb je nodig bij alle andere vakken op school. Een kind dat te weinig leeservaring heeft, ziet als een berg op tegen de teksten uit zijn leerboeken. De citotoets van groep acht bestaat voor 95 procent uit tekst. Hoe kom je die door zonder voldoende leeservaring? Je doet kinderen dus tekort als je ze niet leert dat lezen leuk is, als je ze te weinig vrij laat lezen en te weinig voorleest. En dan heb ik het nog niet eens over lezen als stimulans voor de verbeeldingskracht, concentratie en empathie."

Volgens Vriens zijn de leesvaardigheden dus op te schroeven als scholen structureel meer aandacht besteden aan kinderboeken en leesplezier. Maar dat betekent wel dat leerkrachten over een ruime titelkennis moeten beschikken en moeten weten hoe ze kinderen voor lezen kunnen enthousiasmeren. Welke boeken zijn geschikt voor dit kind? Wat lees ik voor? Hoe kan ik de literaire competentie van deze leerling verbeteren? Welke boeken moeten ze kennen als ze de basisschool verlaten? Dit soort vragen komt nu onvoldoende op pabo's aan bod, meent Vriens.

Onderzoek naar de mate waarin jeugdliteratuur op de pabo's wordt onderwezen, is er niet. Vriens deed zijn bevindingen tijdens talloze bezoeken aan pabo's en gesprekken met stagiairs. Maar ook Stichting Lezen constateert dat de aandacht voor jeugdliteratuur op veel pabo's gering is: "Er zijn grote verschillen tussen de pabo's, maar op de meeste opleidingen ligt de focus vooral op de technische aspecten van lezen, terwijl de leesmotivatie minstens zo belangrijk is", zegt Peter van Duijvenboden, projectleider pabo bij Stichting Lezen.

Ook Petra Moolenaar herkent dit beeld. Zij is docente Nederlands op de pabo's in Eindhoven en Veghel én bestuurslid van LOPON2, de landelijke vereniging van leraaropleiders voor het vak Nederlands: "Als je naar de programma's van de pabo's kijkt, staat jeugdliteratuur er wel in, maar in de praktijk is er weinig tijd voor. Vroeger kon ik bijvoorbeeld een heel blok bezig zijn met prentenboeken en de effecten daarvan op jonge kinderen, nu heb ik één prentenboekmoment. Daarin kan ik nooit de differentiatie van het aanbod laten zien. Studenten moeten bij ons nog wel lezen, maar we komen tijd tekort om ze daarbij goed te begeleiden en te leren hoe ze die boeken in de les kunnen inzetten."

Hoe is dat zo gekomen? "Pabo's krijgen ontzettend veel op hun bord", zegt Van Duijvenboden. "Het curriculum is overvol, dus de opleidingen moeten kiezen." Jeugdliteratuur komt dan niet boven aan het lijstje, ook al rept de Kennisbasis Nederlandse Taal, het document waarin staat wat pabostudenten na de eerste twee jaar minimaal moeten weten, er wel degelijk over: 'Het doel van onderwijs in jeugdliteratuur is leerlingen (van de basisschool, red.) in aanraking te brengen met verschillende literaire genres, hun literaire smaak te ontwikkelen, ze te motiveren om te lezen en leesplezier te laten beleven.'

Pabo's mogen echter zelf bepalen hoe ze studenten op deze taken voorbereiden. Er wordt na twee jaar wel landelijk getoetst, maar van de honderd vragen over taal, gaan slechts twee vragen over jeugdliteratuur. Geen wonder dat de prioriteit op de pabo's en bij de studenten niet bij dat onderwerp ligt. Op je gebrek aan kinderboekenkennis, zak je niet voor de toets.

Dat heeft bovendien tot gevolg dat de aandacht voor jeugdliteratuur geconcentreerd is in de eerste twee jaar vóór die toets. "In het derde en vierde jaar verdwijnt jeugdliteratuur meestal helemaal uit het curriculum", zegt Van Duijvenboden.

Om daar wat aan te doen, heeft Stichting Lezen het lespakket 'Open Boek Pabo' gelanceerd. Pabo's kunnen dit gratis downloaden van leesplan.nl en als minor van zes studiepunten aan hun studenten aanbieden. De cursus, die door de docent Nederlands moet worden gegeven, leidt de student op tot 'leescoördinator', de aanjager van het literatuuronderwijs binnen de basisschool. Studenten leren over de geschiedenis van de jeugdliteratuur, over de diversiteit en kwaliteit van kinderboeken en over leesbevordering. Wie de cursus met succes afrondt, krijgt van Stichting Lezen het certificaat 'leescoördinator'.

Hoewel pabo's volgens Van Duijvenboden positief reageren, is er op dit moment nog maar één van de 42 opleidingen die de minor gaat aanbieden: Iselinge Hogeschool in Doetinchem. Veel pabo's geven aan dat hun programma is dichtgetimmerd, er geen budget is om een docent vrij te maken of dat het management andere minors belangrijker vindt.

Op Hogeschool Leiden zet docent Marion Valent zich in om de cursus binnen de grotere minor Taal van de grond te krijgen. Of dat gaat lukken, hangt af van de animo onder studenten, want minors zijn keuzevakken. Om voldoende inschrijvingen te krijgen, hoopt Valent voor elkaar te krijgen dat de minor ook voor studenten van pabo's in de regio wordt opengesteld.

Ze is zich ervan bewust dat ze voor de inschrijving komend voorjaar hard zal moeten lobbyen. "De meeste studenten die aan de pabo beginnen, zijn zelf geen enthousiaste lezers", zegt ze. "Ze geven aan dat de leeslijst op de middelbare school hen al het leesplezier heeft ontnomen. Het is voor ons een grote uitdaging om van die studenten enthousiaste leesbevorderaars te maken." Van Duijvenboden vult aan: "Van de pabostudenten komt 55 procent van het mbo. Die hebben in hun vooropleiding nauwelijks iets over literatuur geleerd."

"Als ik pabostudenten op hun leesbevorderende rol wijs", vertelt Jacques Vriens, "hoor ik regelmatig dat ze niet zoveel met boeken hebben. Ik vraag dan altijd: hoe doe je dat met andere vakken? Als je niet van rekenen houdt, geef je daar dan ook geen les in?"

De schrijver is erg blij met de minor, maar vindt dat het lespakket eigenlijk voor alle pabostudenten verplicht zou moeten zijn. Petra Moolenaar van LOPON2 is het daarmee eens: "Dit hoort eigenlijk in de basisopleiding thuis." Docente Valent vindt niet dat alle studenten leescoördinator hoeven te worden, maar "jeugdliteratuur moet wel een groter onderdeel uitmaken van het basiscurriculum van de pabo's. Niet alleen om iets te doen aan leesachterstanden, maar ook omdat je als leerkracht het cultureel erfgoed doorgeeft en daar horen kinderboeken bij."

Meer aandacht voor jeugdliteratuur kan alleen worden bereikt als de Kennisbasis Nederlandse Taal strengere eisen stelt aan het jeugdliteraire onderwijs en daarop ook gaat toetsen. "Dan neemt de urgentie op de pabo's vanzelf toe", zegt Valent. LOPON2 wil daarover met het ministerie van onderwijs in gesprek. Petra Moolenaar is bovendien van plan een promotieonderzoek te doen, waarmee ze hoopt aan te tonen dat de literaire competentie van pabostudenten verbeterd kan worden en daarmee ook die van basisscholieren.

Jacques Vriens hoopt op korte termijn, samen met Stichting Lezen, in gesprek te kunnen met onderwijswoordvoerders uit de Tweede Kamer. Wat hij gaat voorstellen? "Om te beginnen een flinke verplichte leeslijst van pakweg vijftig kinderboeken van na de oorlog tot nu", zegt Vriens. "Je mag toch verwachten dat je als meester of juf op z'n minst iets gelezen hebt van grote namen als Paul Biegel, Annie M.G. Schmidt en Tonke Dragt." En van Jacques Vriens zelf natuurlijk. "Dat zeg ik niet, dat denk ik alleen."

Trouw tipt

Vijftien naoorlogse Nederlandstalige kinderboeken die elke pabostudent moet kennen (maar eigenlijk de complete oeuvres van deze auteurs, naast buitenlandse toppers als Roald Dahl en Astrid Lindgren).

1962
De brief voor de koning
Tonke Dragt

1964
Het sleutelkruid
Paul Biegel

1970
Minoes
Annie M.G. Schmidt

1971
Koning van Katoren
Jan Terlouw

1973
Kruistocht in spijkerbroek
Thea Beckman

1975-1983
Het grote boek van Madelief (omnibus)
Guus Kuijer

1991
Kikker en het vogeltje
Max Velthuijs

1993-2006
De grote Robin (omnibus)
Sjoerd Kuyper

1995
Misschien wisten zij alles
Toon Tellegen

1996
Iep!
Joke van Leeuwen

2001
Winterijs
Peter van Gestel

2003
Superguppie
Edward van de Vendel

2009
Hou van mij (verzameld werk)
Ted van Lieshout

2012
Nederland
Charlotte Dematons

2012
Spinder
Simon van der Geest













 

 

© Bas Maliepaard 2017 | Disclaimer | Ontwerp - pmsmt